‘Zo blij dat ik de tuin nooit heb opgegeven’

 

Er moet heel wat aan de hand zijn  als ’s ochtends het taxibusje niet komt voorrijden om mevrouw Van Dommelen uit het verzorgingstehuis af te halen. Elke dag gaat de 93-jarige naar haar volkstuin, aan de rand van Den Haag en Wateringen. Haar verhaal, dat hieronder volgt, heb ik opgetekend op een ochtend in april 2010, op haar tuin in het complex Zonnegaarde. Het is flink koud, de winter zit nog steeds een beetje in de lucht. Haar huisje kijkt uit op een pad, waar af en toe een wandelaar langskomt. Een spastische man in een speciale rolstoel en een groepje gehandicapten. Een roodborstje vliegt heen en weer tussen de heg en een nog kale boom. De tuin van mevrouw Van Dommelen (voluit E. van Dommelen-Lengkeek) bestaat voor de helft uit een bed met sierplanten en een grasveld; op de andere helft staan jonge tuinbonen aan de nog koude grond te wennen. Naast het huisje staat een kas; de jonge groente daar heeft het aanzienlijk beter.

"Als kind heb ik gewoond in het Bezuidenhout, lang voor het bombardement van 1944. Vader was timmerman. Moeder zorgde goed voor haar kiekens. ’s Avonds op straat spelen of over het land zwerven was er niet bij. Ik kan me nog de oude tol tussen Den Haag en Voorburg herinneren. Die is al in 1928 opgeheven. Vanaf die plek liep de Laan van Nieuw Oost-Indië helemaal door het open land naar de Binckhorstlaan. Dat zijn mijn vroegste herinneringen aan de natuur. De volkstuin is pas in mijn leven gekomen in 1973, na de dood van mijn eerste man. Met mijn eerste man heb ik wel vaak wandelingen gemaakt over volkstuinen, want daar hielden we van. Hier over Zonnegaarde, maar ook over Nut en Genoegen. Maar verder was hij er de man niet naar om een volkstuin te nemen, hoor. Hij was boekhouder, en dan kom je daar niet toe. We woonden in een bovenhuis, dus een tuin hadden we niet. Maar hij hield van de natuur, dat wel. Van hem heb ik die liefde overgenomen. Hij nam me  mee naar het Haagse Bos en het Scheveningse Bos, of we wandelden langs de landgoederen in Wassenaar. Na zijn dood, in 1970, ben ik gaan werken. Een opleiding had ik niet en zo kwam ik bij de familie Van Dommelen terecht als hulp in de huishouding. Mevrouw Van Dommelen (de eerste, JHB) had reuma en was er slecht aan toe."

De familie Van Dommelen woonde aan de Erasmusweg, hier aan de overkant van de tuinen. Ik wist dat ze een tuin hadden, en telkens als ik naar ze toe ging fietste ik eerst hier even over het complex. Dat trok me enorm. Ik kon dan ook zeggen bij binnenkomst:  nou, op de tuin ben ik ook al geweest. Op een dag vroeg mevrouw Van Dommelen: ach mevrouw, zou u ons huisje op de tuin niet een beetje schoon willen houden? Dat ze dat vroeg heb ik toen zo leuk gevonden, want ik kwam altijd graag op de tuinen.
Jan van Dommelen had de tuin zo’n tien jaar daarvoor genomen. Hij was van zijn vak groenteboer en zat ook in zaken. Hij was gestopt met zijn winkel toen zijn vrouw ziek werd. In die tijd besloot hij een tuin te nemen. Hij had er veel kijk op, hoor. Dat merkte je direct. Na de dood van zijn vrouw zijn wij in 1973 getrouwd. Een weduwnaar zonder kinderen en een weduwe met drie grote zonen waren we. Voor mij kwam die tuin toen pas echt in mijn bestaan. Ik was er dolgelukkig mee. Maar ik heb ook meteen tegen hem gezegd:  Jan, je krijgt nu een heel ander leven. Er waren al kleinkindertjes en ik wilde dat die iets op de tuin hadden. Dus hier in de deur kwam een schommeltje te hangen, een zandbakje daarbuiten en Jan zorgde voor fietsjes. Dat deed hij allemaal graag, hij bleek een lieve opa in zich te hebben.
Groenten heeft Jan altijd gekweekt. En die prachtige druivenkas stond er ook al. Maar toen de kleinkinderen wat groter werden hebben we dat grasveldje daar aangelegd. Ons huwelijk heeft niet lang mogen duren, want Jan is in 1980 al overleden. Maar de jaren die we samen hebben gehad, hebben we voor een groot deel hier op de tuin doorgebracht. We zaten er elke dag, weer of geen weer. Ook als het heel somber was buiten, zei ik ’s ochtends tegen hem: “Jan, wat doen we? Drinken we koffie hier thuis of op de tuin?”Nou, dat werd dan toch altijd de tuin. Daarna werkten we er tot een uurtje of twaalf. Dan maakten we ons een beetje netjes. Ik zorgde dat er altijd een schoon overhemd voor hem was. En na het verkleden ging hij in dat hoekje van het huisje zitten knopen. Knopen was zijn hobby. Hij kon prachtige lopers maken, waarvan hij de patronen zelf ontwierp.

Na de dood van Jan heb ik het een tijdje erg moeilijk gehad. Toch is er nooit een moment geweest waarop ik er ook maar over gepiekerd heb de tuin op te geven. Toen Jan er niet meer was, ben ik weer gaan werken. Ik was inmiddels drieënzestig. Samen met mijn jongste zoon heb ik een pension opgezet. Hij verhuurde al kamers, ik ben hem toen verder gaan helpen. In dat werk heb ik me helemaal gestort en ik ben het tot mijn tachtigste blijven doen. Elke morgen stond ik om vijf uur op om naar de tuin te gaan. Daar werkte ik dan tot een uurtje of negen, want ik wilde dat het er allemaal keurig netjes bij lag. Vervolgens pakte ik direct de bus. Naar huis ging ik niet meer, want ik was bang dat ik buren tegen zou komen die dan een praatje begonnen. Kun je nagaan hoe bezet ik in die tijd was. Dat leven heb ik nog heel lang zo volgehouden. Later kwam er eerst een heupoperatie, en nog weer later één aan een hartklep. Toen zijn er wel momenten geweest dat ik de tuin heb willen opzeggen. Dat heb ik ook tegen mijn jongste zoon gezegd: “Zeg hem maar op.” “Ja hoor, ik zal het meteen doen,”zei hij dan. Maar mooi dat het niet deed. En daar was ik achteraf dan weer zo blij om. Want meestal knapte ik snel op.
Achteraf moet je zeggen dat de tuin mij eigenlijk voortdurend nieuwe energie heeft gegeven. Ik geloof nu ook dat ik er daarom steeds weer bovenop kwam. Op mijn 81ste ben ik opnieuw aan mijn hart geopereerd. Ik kreeg een nieuwe hartklep en daar ben ik verschrikkelijk moe van geweest. Maar ook in die periode wilde ik de tuin al helemaal niet meer kwijt. Ik ging er telkens weer heen. De afgelopen winter ben ik erg verkouden geweest. Zoiets grijpt je enorm aan op mijn leeftijd. De hele dag loop je dan te denken: o, ik wou dat ik naar de tuin kon. En als het dan zover is, ben je dolgelukkig, ook als je maar even een spa hebt vastgehouden of een heel klein stukje hebt geschoffeld.


Veel kan ik nu natuurlijk niet meer doen. De groentes worden door mijn zoon en schoondochter gedaan. Vroeger hadden we allerlei soorten sla, spitskool, bloemkool, rode kool, bietjes, pieterselie, aardappelen. Dat doe ik niet meer. In het verzorgingshuis hoeven ze dat toch niet te hebben; die hebben hun eigen spullen. Maar mijn zoon en schoondochter hebben er lol in. Ze vriezen alles in en eten er goed van. Wat ik doe is voornamelijk het huisje een beetje schoonhouden. En ik knip de randjes van het gras. Elke keer een klein eindje. En ik schoffel een stukje. Kijk, ik ben nu tot die hyacinten gekomen. Maar het zware werk is er nu niet meer bij.

De tuin heeft me op de been gehouden: de dood van mijn mannen, de operaties, de eenzaamheid waar je doorheen moet – steeds was er de tuin waar ik naar terugkeerde, en niet te vergeten de mensen die ik hier kende en de steun die ik aan hen had.  Want dat laatste is voor een belangrijk deel ook waar het om draait: je hebt hier je contacten.  Elke ochtend als het busje me gebracht heeft ga ik eerst even  koffiedrinken met de andere tuinders. Het is maar een halfuurtje, maar het maakt mijn dag zoveel plezieriger. Het zijn maar kleine dingen. Vroeger wisselde je ook wel dingen met elkaar uit. Je ruilde producten. Of je vond opeens voor je deur een grote, mooie bloemkool. Die was dan van iemand die jou zomaar een plezier wilde doen. Er zijn in het verleden ook jaren geweest dat we met een clubje van zes à zeven mensen kerst vierden in een van de huisjes, of dat we met elkaar met vakantie gingen. Het was een hecht groepje, met fijne contacten. Omdat ik nu zo oud ben geworden is daar niets meer van over. Maar sinds kort zijn er hier gehandicapten op de tuin. Die komen regelmatig voorbij. Ik heb zo’n jongen wel eens gevraagd wat voor me te doen. Gewoon een stok ergens wegleggen, meer niet, hoor. Dat vond hij geweldig. Sindsdien zijn we dikke vrienden.
Bijna al mijn eigen contacten lopen ook via de tuin. De kinderen, de kleinkinderen –  als ze bellen is het: “Oma, ma, waar ben je als ik kom?” Op de tuin, daar spreken we dan af. Ook nu nog. Vrijwilligers uit het verzorgingstehuis komen me hier, op de tuin, opzoeken. Ik voel me hier op de tuin ook altijd veel beter. Het is net alsof je wat meer opgaat in je omgeving, in de natuur en de mensen. Thuis zit je toch vaak te kniezen, je voelt elk pijntje en maakt je daar dan weer zorgen over. Hier is dat anders. Pas als je thuiskomt merk je dat je helemaal niet aan je klachten gedacht hebt.
De laatste tijd ben ik ook weer aan het schrijven. Na mijn verkoudheid deze winter had ik weer de rust om er eens voor te gaan zitten. Ik heb een verhaal geschreven over de tuin. Het begint met het taxibusje dat me komt halen. Ik kan van zo’n rit enorm genieten, want je zit er wel een uur in en ziet heel Den Haag. Daar vertel ik dan over. Dan kom ik over “de oprijlaan”, zoals ik het pad hier op het complex voor de grap deftig noem, bij mijn huisje aan. Ik kijk naar het roodborstje, naar de zwanen in de sloot. Dat voert me weer naar herinneringen uit mijn jeugd, want ik was erg bang van zwanen. Vervolgens hoor je de kerkklokken van Wateringen luiden. Nou, bij kerkklokken kun je twee kanten op: begrafenis of bruiloft. Het is bruiloftsgebeier, besluit ik dan, en dat voert me naar de bruiloften van mijn zonen. Het zijn kleine stukjes die ik daaraan wijd, dierbare herinneringen, maar ten slotte komt het verhaal weer hier terug, op de tuin.’

Fragment uit, Grond. Pleidooi voor aards denken en een groene stad, Atlas, Amsterdam 2011.