LANDSCAPES IN LANDSCAPES. The Work of garden architect Piet Oudolf.

Author: Noël Kingsbury, editor: Terra Lannoo BV, 2010, ISBN 9789089892850; Dutch edition 2011.

Vanuit Hummelo wordt de wereld verrijkt met de meest prachtige tuinen en parken (think local act global!). Het boek behandelt ze naar grootte: van 350 m2 (Sneek) naar 25.000 m2 (Natucket Island USA). De titel is raak: de tuinen zijn geïsoleerde en geïdealiseerde stukken natuur (landschap): ze geven ons een glimp hoe het aards paradijs er uit had kunnen zien maar helaas ligt de naakte werkelijkheid aan de andere zijde van het tuinhek. In die zin zijn de tuinen een genotsmiddel om even aan de werkelijkheid te ontsnappen in een esthetische groene droom, een fantasmorgasme met de natuur als bedwelmer.

Voor het concept van de biotopische stad zijn eigenlijk alle projecten van belang omdat steeds gezocht wordt naar een vegetatie die het beste past bij de plek en het klimaat. Ook het winterbeeld dat in de groene stad uiteraard mee speelt wordt door Oudolf's aanpak duidelijk, want het is gewoon natuur voor wie er oog voor heeft. Als bij Patrick Blanc wortelt het ontwerp in kennis van de plant; zoals in de inleiding van het boek wordt gesteld: "Oudolf smeedt botanische, plantensociologische en artistiek/esthetische principes tot één geheel " .

Het begrip "compositorische ecologie" wordt geïntroduceerd, een natuurbeeld dat vrij en ongedwongen is. Hij wordt geponeerd als een trendbreker die na het modernistische tuinontwerp van Mien Ruys en Karl Foerster de beschouwer een verlangen naar de natuur ontlokt, in een gecondenseerde vorm een nieuwe werkelijkheid vormend. Ze appelleren, zo lees je in de inleiding, aan ons verlangen naar betekenis en zingeving. Deze trend wordt de "New perennial movement" genoemd, waarvan Oudolf en Henk Gerritsen te belangrijkste vertegenwoordigers zijn.

In de gepubliceerde projecten is er soms toch sprake van streng geknipte hagen, niet alleen in zijn eigen tuin in Hummelo. Blijkbaar is de paradigmashift naar meer natuurlijke ontwerpen niet altijd gelukt; de streng geknipte hagen en zuilen staan als wachters van het ancien regime te midden van de golvende kleurrijke en op de wind deinende nieuwe natuur. De stedelijke projecten zijn het meest verwant aan de menging van groen en rood in biotopisch opzicht.

Getoond worden:

* de tuin van de Biënnale Venetië in 2010, waar Oudolf een menging van zijn groen met restanten van oude scheepswerven en marinedepots maakte;

* de herbestemming van waterzuiveringbassins in tuinen te Essen

* de beplanting van de High Line te New York, abusievelijk benoemd als eerste kunstmatig begroeide voormalige spoorconstructie.

Merkwaardigerwijze is de prachtige tuin bij het Van Abbe museum in Eindhoven in dit boek niet opgenomen. Die vormt samen met de natuurontwikkeling op de erlangs stromende Dommeloevers een oase in deze company town.

Van het project in New York City (11.000 m2) zijn de gepubliceerde gegevens veelbetekenend. De kosten van de eerste, nu gerealiseerde fase bedragen maar liefst 152 miljoen dollar. De bestaande beplanting en ondergrond moest verwijderd worden waarna Oudolf opnieuw inheemse planten heeft geselecteerd. Het nonchalante natuurlijk ontstane en nu verwijderde stadsgroen in een industriële setting heeft plaats gemaakt voor high end design met het groen van Piet. Ondanks de sleuven in de granieten bestrating die het groen seminatuurlijk tussen de stenen moet laten verschijnen, is het duidelijk dat het hier een simulacrum betreft: groen als stoffering van een luxe wandelpad. Als troost in het stedelijk geweld misschien nog niet eens een slechte keuze.

Benieuwd naar hoe het plan voor de 2 waterzuiveringbassins in Essen (Bottrop), hierboven genoemd, in de praktijk er bij staat , ben ik gaan kijken. Dat was geen overtuigend geheel. Van de 2 bassins is er een tot zwemwater omgebouwd, met duizenden goudvissen in het water (!). Het andere bassin is met aarde gevuld en aangekleed met veel verharding en trapjes, ertussen de planten van Oudolf. Van de overweldigende rijke, en paradijselijke natuurbeleving die in veel van zijn projecten zo betoverend werkt, is hier geen sprake. De menging van plantensoorten is niet harmonieus en lijkt meer op een spontaan ontstane wilde tuin.
Maar wat zeker ook meespeelt is het architectonische ontwerp dat de planten op de 2e rang plaatst. De inrichting van het terrein tussen de 2 bassins is esthetisch onder de maat, heeft geen karakter dat bij de situatie past. Hoewel het herbestemmen van deze bassins tot een rustpunt op toeristische fietsroutes een prima idee is, is het resultaat niet iets om voor om te fietsen, helaas. De menging van techniek en groen, die verderop bij de Zollverein zo fantastisch uit pakt, heeft hier niet tot een nieuwe symbiose geleid.

Ik sluit af met een mooi citaat uit het boek: "he's got away from the soft pornography of the flower". Leuk dat op de achterzijde van het boek Oudolf geportretteerd is achter een beslagen ruit: een steamy window! En dat de zaaddozen als het meest karakteristiek voor de winterse aanblik van de Oudolftuinen gefotografeerd zijn.