WEGBEREIDER VAN DE GROENE METROPOOL. Over volkstuintjes in Nederland

 

De opkomst van stedelijke landbouw, met urban farming en  permacultuur midden in oude stadswijken, komt niet geheel uit de lucht vallen. Vanaf de negentiende eeuw heeft het verschijnsel bestaan van de zogeheten nutstuintjes, kleine lapjes grond aan de rand van de stad waar de arme bevolking wat voedsel kon verbouwen, wat overigens hard nodig was. Sinds de gewelddadige privatisering van de communale gronden in de zestiende en zeventiende eeuw heeft de grondeloos gemaakte bevolking het moeilijk gehad. Karl Marx klaagt er al over dat deze groepen opzettelijk maar een heel kleine tuin werd toegestaan om te voorkomen dat zij zich zouden onttrekken aan het arbeidspotentieel, nodig voor de fabrieken. Hannah Arendt heeft er later opgewezen dat de ontgronding de arbeidende massa ook beroofd heeft van de simpele en gezonde voldoening van het dagelijks terugkerende werk op het land.
De komst van de nutstuintjes voorzagen in een grote behoefte. Langzaam echter verschoof het nutsaspect – de verbouwing van voedsel – naar een recreatief belang, hoewel het eerste altijd is gebleven. De volkstuinen, zoals ze later zouden gaan heten, zijn de datsja’s van de gewone stadsbevolking geworden. Toch is het in Nederland maar 3 procent van de totale bevolking die zo’n lapje grond bezit. Onderzoek heeft wel aangetoond dat deze paar procent aanzienlijk hoger scoort dan de meeste tuiniers, als ze zich een cijfer moet geven voor levensgeluk. Voor de meeste stadsmensen is de eigen tuin een extensie van het huis geworden, een uitbreiding van de woonkamer. De volkstuin daarentegen heeft de ‘groene ervaring’ vastgehouden. Tegenwoordig vervullen volkstuinen daarom ook een therapeutische rol voor mensen met mentale en lichamelijke problemen. 

Volkstuinen in Nederland hebben het moeilijk. De laatste decennia zijn er honderden hectaren verdwenen. In 1993 werden er zo’n 240.000 volktuinders geteld met een gezamenlijke oppervlakte in bezit van 4646 hectare. Hun aantal is niet minder geworden, maar de gezamenlijke oppervlakte is met 16 procent verminderd tot 3906 hectare. Die stukken grond zijn simpel verdwenen, opgeslokt door woningbouw of andere bestemmingen. De Nederlandse Spoorwegen hebben tijdenlang stukjes grond langs de spoorwegtaluds uitgegeven aan employés. Dat leverde de treinreiziger lange tijd een verrassend panorama, wanneer hij grote steden binnenkwam. Het was daar een grote agrarische bedrijvigheid, en steeds vaker zag men ook diep voorovergebogen, brede vrouwenachterwerken, in lange rokken gehuld, boven de grond schommelen, terwijl de vrouwen met een hak de grond openleggen. Turkse Nederlanders voelen zich thuis in de volkstuin. Maar die spoortuintjes hebben hun langste tijd gehad. Prorail wil ze afstoten omdat ze te gevaarlijk zijn. Ook dat zal de gezamenlijke oppervlakte van Nederlandse volkstuinen weer verder naar beneden brengen. 

In de volkstuincultuur zijn veranderingen werkzaam die langzaam het verschijnsel  een ander aanzien zullen geven. De ouderwetse nutstuin, bedoeld om arbeidersgezinnen een lapje grond te geven waarvan ze konden eten, is vrijwel verdwenen. Het is niet alleen maar de oudere man die ‘een tuin neemt’ – meestal een moestuin – er zijn tegenwoordig steeds meer vrouwen. Mede als gevolg daarvan komen er ook steeds meer bloemen en sierplanten op de volkstuincomplexen. Naast de komst van de allochtonen is er ook een jongere categorie bezitters, vaak goedverdienende gezinnen uit de stad die voor in de weekends iets willen hebben om met de kinderen heen te gaan. Maar de populariteit groeit ook bij kunstenaars en intellectuelen. Wie in de jaren negentig Simon Vinkenoog en zijn vrouw zocht, kon hen de hele zomer vinden op hun weelderige tuin in Amsterdam-Noord. Adriaan van Dis, Rudy Kousbroek, Sarah Hart, Maarten ’t Hart en Lien Heyting hielden zelfs een soort literaire kring of horticulaire rederijkerskamer op de tuin, waarover ze met veel plezier een blaadje volschreven met gedichten en verhaaltjes over wel en wee van de knolselderij. Zoals dat zo vaak gaat met zaken die schaars worden: de volkstuin stijgt in aanzien, maar neemt in omvang af.
Arie Stuije bereidt zijn volkstuin voor op de winter. Foto: Jan Hendrik Bakker

Het besef dat een volkstuin dure grond bezet houdt en dat daar iets tegenover hoort te staan,  dringt tot steeds meer verenigingen van amateurtuinders door. Ze zoeken naar mogelijkheden om hun complexen deel te laten uitmaken van de openbare groene ruimte. Zo spelen ze in op politieke wensen, die breed leven bij gemeenteraden, en legitimeren ze hun bestaansrecht. De werkelijkheid is dat veel volkstuincomplexen altijd al  openbaar geweest zijn, zoals ook blijkt uit de herinneringen van mevrouw Van Dommelen (zie onder GALLERY),  maar de meeste mensen weten dat niet.  Een enkele oudere volkstuinder zou dat ook graag zo houden, want die beleeft zijn tuin nog steeds als een particuliere vluchtroute uit het stadsleven; terwijl de gedachte tegenwoordig is dat de tuinen deel zouden moeten gaan uitmaken van dat  stadsleven. ‘Geboden toegang in plaats van verboden toegang’, noemt Herman Vroklage van de Algemene Volkstuinders Vereniging Nederland het. Sommige volkstuinverenigingen stellen tegenwoordig ook eisen aan de hoogte van de heggen en de bestrating van de tuintjes. Er moet vrij uitzicht zijn, zodat er een open beleving van de groene ruimte is, en de tuinen moeten tuinen blijven, zodat de complexen niet steeds meer gaan lijken op bungalowparkjes. Bovendien wordt meer en meer ecologisch getuinierd; je ziet nog maar zelden een volkstuinder met de giffles op zijn rug langs de bonen en tomaten gaan.

Een voorbeeld van de openstelling is het experiment met gehandicapten dat plaats vond op het complex waar ik het gesprek met mevrouw Van Dommelen optekende. Daar draaide, voor de eerste keer in de Nederlandse geschiedenis,  ruim anderhalf jaar een proef met dagbesteding voor lichamelijk gehandicapten en mensen met niet-aangeboren hersenletsel. Deze mensen – die vaak een verleden van zelfstandige volwassenheid achter zich hebben en niet als kinderen willen worden beziggehouden – bleken het op de volkstuin, waar de groep een eigen perceeltje heeft, erg naar hun zin te hebben. Ze schoffelen wat, spitten en zien – wat waarschijnlijk het belangrijkste is – hoe de tuin zich van dag tot dag ontwikkelt. Daardoor hechten ze zich. Tussendoor wandelen ze over het terrein, onder begeleiding. Een praatje hier, een groet daar – langzaam zijn ze deel gaan uitmaken van het sociale weefsel dat op volkstuincomplexen bestaat. In combinatie met het lichamelijke werk en de frisse buitenlucht is dat een cocktail die velen een plezierig en gelukkig gevoel heeft. Het geldt ook voor de reguliere volkstuinders, want naar eigen zeggen behoren zij tot de gelukkigste burgers van het land. Het proefproject met de gehandicapten heeft inmiddels vaste vorm gekregen. Er zijn nu een rolstoeltoilet, een verbreed tegelpad naar hun tuin en een beschut plekje tegen zon, regen en wind.

Het succesverhaal van de volkstuintjes, dat een verhaal is van lichamelijke arbeid in de buitenlucht in combinatie met sociale hechting,  kan ook in een andere context opduiken. In stedelijke gebieden met veel hoogbouw en kansarme bevolking zie je soms initiatieven om op grasveldjes in gemeenschappelijk bezit perceeltjes grond te gaan bewerken. Mensen verbouwen wat sla, tomaten en uien. Elke dag komen ze naar beneden om hun jonge groente water te geven, onkruid te wieden en een praatje te maken. Vooral voor de migrantenbevolking is dat een eerste en letterlijke binding met de grond van het land waar ze moeten leren leven.
 

In de Delftse probleemwijk Poptahof zijn van die volkstuintjes te vinden, al vijf jaar. Op een binnengrasveld tussen de flats hebben buurtbewoners, onder wie vele allochtonen, een klein tuinencomplex in beheer genomen. Ieder bewerkt er zijn eigen lapje grond, maar voor het geheel is men gezamenlijk verantwoordelijk. Men bespreekt samen de problemen en het beheer. Kleine spanningen, maar ook ongedwongen, kleine ontmoetingen zijn dagelijks terugkerende gebeurtenissen; bijna iedereen heeft plezier in de bezigheden. Het is een observatie die je op z’n minst als een belangrijke kanttekening zou kunnen zien bij Hardins these over de ondergang van de gemeenschappelijke gronden. Hoezo gemeenschappelijke verwaarlozing? De initiatiefneemster is een vrouw uit West-Nieuw-Guinea. Voor Tilly Kaisiëpo was het idee even simpel als vernieuwend. Ze wilde een basale ervaring uit haar Papoea-jeugd laten herleven in een stedelijke omgeving. Tegen een verslaggeefster van het ad zei ze in 2008. ‘In de tuin van mijn moeder kwamen buren groenten plukken en werd informatie uitgewisseld. Zo moet je met elkaar omgaan, heb ik geleerd. Nu ben ik zelf moeder en oma, en ik heb dat idee overgeplant naar hier. Dankzij deze tuintjes komen de wijkbewoners uit hun isolement. Door samen te zaaien, planten en oogsten groeien niet alleen de planten, maar ook de mensen.’

Dr. Jan-Hendrik Bakker is filosoof en journalist. Hij is auteur van Grond. Pleidooi voor aards denken en een groene stad (2011), waaraan bovenstaande tekst grotendeels is ontleend. Alle bronvermeldingen vindt men in dat boek. Een vermelding van dit boek is te vinden in de rubriek GALLERY onder 'Literature'.

Foto's: Anneloes Groot, Jan Hendrik Bakker