Pionieren op het dak

 

Vier groene daklandschappen in Eindhoven: Mathildeplein, Gerard en Anton, Veemgebouw

We hebben de ontwerpers van een aantal grote nieuwe daktuinen in Eindhoven gevraagd hun ontwerp toe te lichten voor Biotope City. Eindhoven heeft een prachtige traditie van stadsparken, straatgroen en  Dommeloevers. Dit areaal heeft nu een hedendaagse groene aanvulling gekregen, na het onlangs 10 jarig bestaan van het hangende tuinenplan Medina.

Helaas betreft het in deze gevallen, op 1 na, private tuinen. Gelukkig wordt binnenkort, ook in Eindhoven, begonnen met opnieuw een hangende tuinenplan, publiekelijk toegankelijk, ditmaal ontworpen door  Piet Oudolf. De tuin zal verschijnen op en aan  de leidingstraten van Strijp S en weer voor dezelfde opdrachtgever: woningbouwstichting Trudo.

Daktuinen staan volop in de belangstelling. Tal van ontwikkelingen vragen nu meer dan ooit om een innovatieve toepassing van groen in de stad. Zo rukken stad en landschap steeds meer naar elkaar op, raken de mogelijkheden voor stadsuitbreiding langzaam uitgeput en staat bouwen buiten de stedelijke contouren steeds meer onder druk. Woningbouw realiseren betekent steeds vaker verdichten. Dat kan negatieve consequenties hebben voor het groenoppervlak in de stad en dus voor de leefomgeving van de bewoners. Bovendien is er een wereldwijde klimaat-, energie- en voedselcrisis waar we rekening mee kunnen én moeten houden bij de ruimtelijke organisatie van onze steden. Een deel van de oplossing lijkt gevonden in meervoudig ruimtegebruik door daken en gevels,(nog nauwelijks ontgonnen (semi)openbare ruimte) op al dan niet bestaande gebouwen, te vergroenen.

Technologische ontwikkelingen en nieuwe inzichten over innovatieve groentoepassingen volgen elkaar in rap tempo op. Er verschijnen steeds meer praktijkvoorbeelden. Gras- of sedumdaken zijn inmiddels een bekend fenomeen en ook groene gevels worden steeds vaker door architecten toegepast. Tegelijkertijd staat het ontwerpen van groene daken nog in de kinderschoenen. Het maken van pleinen of parken op daken is soms letterlijk en figuurlijk pionieren.

De draagkracht van het gebouw, de beregening, de afwatering en de beschikbare groeiruimte voor beplanting zijn veelal beperkende factoren. Met een goed ontwerp alleen ben je er niet. Groen leeft. Hoe zorg je dat het goed blijft, in elk seizoen en door de jaren heen? Bovendien is het ene dak het andere niet. Vooral in bestaande situaties is de draagconstructie het gebouw doorslaggevend voor het ontwerp. Dat leidt tot specifieke oplossingen.

In Eindhoven hadden wij de kans deze verschillen op vier plekken te ervaren en benutten. Voor het plein bij de Lichttoren in het centrum en op de daken van de gebouwen Gerard, Anton en het Veemgebouw op Strijp S, ontwierpen wij verschillende verblijfsruimten op daken. Groen was het uitgangspunt, veel aangenaam groen. Alvorens in te gaan op specifieke facetten van deze groene daklandschappen – constructie, beplanting, beheer en behoud –  beschrijven we kort het ontwerpconcept dat aan elk project ten grondslag ligt.

Vier daken, drie concepten

De eerste daktuin in de reeks is het levendige Mathildeplein aan de voet van de Lichttoren midden in het centrum. Woningstichting Trudo kocht het monumentale gebouw en herontwikkelde de fabriek tot woningen, een sportschool en horecavoorzieningen, en realiseerde een hotel in aanpalende nieuwbouw. Het huzarenstukje van de transformatie was een tweelaagse parkeergarage, die deels onder de bestaande fabriek is aangebracht en deels doorloopt onder het maaiveld buiten het gebouw. Het Mathildeplein, gesitueerd bovenop deze garage, ligt daardoor circa 65 centimeter hoger dan zijn omgeving. Deze situatie bovenop een kolomconstructie evenals de amorfe vorm van het plein, beïnvloedt in sterke mate het inrichtingsconcept.

Het concept is gebaseerd op een strikte structuur van lineaire strips, die haaks op het gebouw staan. De strips worden gevormd door langwerpige cortenstalen plantbakken die variëren in lengte, breedte en hoogte. Hierdoor ontstaan afwisselend open en gesloten ruimtes. Naast en tussen de plantstroken ontstaan routes, terrassen en intieme plekken om te zitten tussen het groen. De uitgekiende beplanting zorgt elk seizoen voor een groen en zelfs bloeiend beeld.

Het ontwerp brengt de menselijke schaal terug op het plein, het creëert rust en het behoudt tegelijkertijd optimaal zicht op de monumentale Lichttoren. Het dakplein is openbaar toegankelijk, maar voelt dankzij de verhoogde ligging, de omzoming met een pergola en de rijke beplanting aan als een besloten, groene oase midden in de hectiek van de stad.

 foto Igor Vermeer

In tegenstelling tot het openbare karakter van het Mathildeplein zijn de daken van de gebouwen Gerard, Anton en het Veemgebouw voorbehouden aan de bewoners. De voormalige assemblagefabrieken Gerard en Anton zijn getransformeerd tot hippe lofts voor jonge, creatieve stedelingen. Vanwege de monumentenstatus van de gebouwen waren buitenruimtes als balkons of loggia’s geen optie. De daktuinen zijn voor de bewoners dus een serieus buitenalternatief. Daarom hebben we tuinen ontworpen met een zo natuurlijk mogelijke uitstraling en belevingswaarde. Ondanks de extreem artificiële omstandigheden merk je nauwelijks dat je je op een dak op 34 meter hoogte bevindt.

Bovenop de voormalige fabrieken hebben we met een bak gevuld met granulaat een opgetild landschap gecreëerd. De benodigde constructieve onderdelen en technische voorwaarden als dakopbouw, grondpakket, watersysteem zijn onzichtbaar weggewerkt in deze nieuwe landschappelijke ‘ondergrond’. De al bestaande kansen zijn optimaal benut, namelijk het vrije uitzicht, de afwezigheid van verkeer en de kwaliteit van een dak als zijnde een wereld op zichzelf, hoog verheven boven het maaiveld.

De basis van de daktuinen bestaat uit een natuurlijk ogende middenzone met bosrijke beplanting en aan de randen uitkragende terrassen. Dwars door de planten en bomen slingert een wandelpad. Door hun strakke materialen, vorm en de ligging aan de dakrand contrasteren de terrassen met de groene middenzone. Dit basisconcept is voor Gerard en Anton gelijk. Variatie in plattegrond, beplanting en materialisering geeft elk park toch een eigen identiteit.

Op 34 meter boven maaiveld kijken we vanaf de hoge heren Gerard en Anton uit over de stad. Had Anton Philips, die zoveel waarde hechtte aan het vergroenen van zijn grondgebied, ooit kunnen vermoeden dat we bovenop zijn fabrieken kunnen wandelen tussen sierheesters en de schaduw kunnen opzoeken tussen de berken?

Tegengesteld aan  het magnifieke uitzicht van Gerard en Anton staat het introverte karakter van de daktuin op het Veemgebouw. Dit voormalige pakhuis met lage verdiepingshoogten wordt herbestemd tot parkeergarage en foodcourt. Bestaande opbouwen op het oorspronkelijke dak worden afgetopt en vervangen door drie lagen appartementen rond een binnentuin op 33 meter hoogte. De route naar de binnentuin is een geleidelijke reeks, waarbij we ons langzaam onttrekken aan het hoogstedelijke, metropolitane Strijp S. Op straatniveau rijzen hoge gebouwen op, dichtbij elkaar. In de parkeergarage en de foodcourt is de drukte van het stedelijk leven voelbaar. Vanuit de lift is er nog eenmaal zicht op dit levendige stadsdeel en de daktuinen van Gerard en Anton. Eenmaal de bestemming bereikt, is er een totaal andere wereld: een besloten patio waarop voordeuren van woonhuizen uitkomen. Je kunt amper vermoeden dat je boven op een dak staat.

Het contrast tussen de besloten patio boven en de dynamische hoogstedelijke omgeving beneden, inspireerde tot het ontwerpconcept: een groen en intiem woonhof. De basis bestaat uit een tapijt van flagstones en heuvels met meerstammige bomen. Hoog boven het stedelijk geweld ademt de patiotuin rust en huiselijkheid uit.

Het Mathildeplein, de daktuinen op Gerard en Anton en de patiotuin op het Veemgebouw bevinden zich allemaal op een dakconstructie. In alle ontwerpen hebben we geprobeerd zoveel mogelijk te verhullen dat het plein, de tuin of de patio een daksituatie betreft. Tegelijkertijd hebben we daar waar mogelijk de aangename kwaliteiten van een daksituatie, zoals het uitzicht en een grote buitenruimte, optimaal benut. Daarmee is een belangrijke overeenkomst geconstateerd. Het zijn juist de verschillen tussen de daksituaties, die de specifieke ontwerpen hebben bepaald. Een vergelijking leert dat er geen standaardformule is om daken te vergroenen. Elk dak stelt zijn eigen technische eisen en beïnvloedt daarmee het ontwerp en uiteindelijke gebruik.

Constructie: het onzichtbare verschil

Het grote verschil tussen pleinen en tuinen op maaiveld en op een dak is de ondergrond. De meeste bomen en planten hebben een dik bodempakket nodig om hun wortels te verankeren en water op te nemen. Op maaiveld kunnen bomen en planten op een natuurlijke manier vrij wortelen en drinken, maar op het dak dienen de juiste omstandigheden te worden gesimuleerd met behulp van plantvakken, grondpakketten en watersystemen. Het nieuwe landschap, de nieuwe ondergrond die zo ontstaat, stelt hoge eisen aan de constructie van het gebouw: het dak moet berekend zijn op het gewicht van aarde, water, bomen en planten en windbelasting.

 

Het type constructie en de draagkracht van het gebouw bepalen de locatie en de omvang van de plantvakken en beïnvloeden daarmee ook het ontwerp. Het plaatsen van een grondpakket is zowel afhankelijk van de constructie als van het beschikbare budget. Als het pakket onzichtbaar onder het maaiveld ligt, heeft dat gevolgen voor de diepteligging van de onderliggende lagen. Uit kostenoverwegingen wordt daar vaak niet voor gekozen. Als het grondpakket deels boven het  maaiveld wordt geplaatst, resulteert dit in zichtbare dan wel in de dakopbouw onherkenbaar weggewerkte plantbakken. Het kan ook leiden tot een hoogteverschil tussen dakplein of -tuin en omringend maaiveld dat opgelost moet worden.

In welke mate de bouwkundige constructie van invloed is op het ontwerp van het daklandschap blijkt uit de vier projecten in Eindhoven.

Het Mathildeplein ligt bovenop een parkeergarage met een kolomstructuur. Het wegwerken van het grondpakket onder het maaiveld is vanuit kostenoverwegingen geen optie. Het zou betekenen dat de totale parkeergarage minimaal één meter dieper gebouwd moet worden – een kostbare onderneming. Plantbakken bleken een efficiënt alternatief. Het grondpakket hoeft dan enkel daar waar nodig te worden aangebracht en het meeste gewicht kan boven de kolommen worden gesitueerd. De constructiekosten blijven hierdoor beperkt.

Brede en hoge cortenstalen bakken met zware bomen staan precies boven de kolommen, omdat hier de draagkracht het grootst is. De minder draagkrachtige dekdelen zijn bestemd voor lagere en smallere bakken waarin lichtere, kleinere heesters, hagen en vaste planten een gezonde voedingsbodem vinden.

Deze uitgekiende oplossing, waarbij de puntsgewijze plaatsing van de plantbak wordt gebaseerd op de draagkracht van de kolomconstructie, verschilt hemelsbreed van de aanpak bij Gerard en Anton. Het grootste verschil is dat de bestaande gebouwen Gerard en Anton oorspronkelijk niet zijn berekend op een daktuin. De tuinen zijn toch mogelijk door het plan van onze opdrachtgever, waarbij de factor tijd een belangrijke rol speelt. De herbestemming van de fabrieken anticipeert namelijk op het optoppen van het gebouw met twee extra bouwlagen na circa vijftien jaar. Daarom is de bestaande dakconstructie al in de renovatiefase verbeterd door de fundering  te versterken en een nieuwe balkenstructuur te plaatsen. De belasting van een (tijdelijke) daktuin werd hiermee mogelijk.

De meest draagkrachtige delen bevinden zich op het middenstuk van het dak. Het ontwerp houdt hiermee rekening door juist hier de plantvakken te positioneren. De constructie maakt een grote, aaneengesloten groeiruimte voor beplanting mogelijk, niet zo maar voor kleine tuinplanten of een solitair boompje, zelfs een heel bos met dicht op elkaar staande stammen is een optie. Daartoe is centraal op het dak een bak geplaatst met een oppervlak van circa 1.100 m2 en een hoogte van tachtig centimeter. De bak ligt dus een stuk hoger dan het dak en houdt ruim afstand van de randen, enerzijds uit veiligheidsoverwegingen en anderzijds om het gewicht op het dak evenals de kosten te beperken. Het gevolg van deze bakconstructie is dat er een opdeling ontstaat in een toegankelijk, opgehoogd deel en een niet begaanbaar, lager deel.

       foto Igor Vermeer

Het opgehoogde deel, de bak,  is tot vijftig-zestig centimeter gevuld met lichtgewicht substraat, dat goed water vasthoudt voor de beplanting. Op het substraat slingeren wandelpaden en bevinden zich organisch gevormde plantborders. De terrassen liggen deels op het hoge niveau van de substraatbak en deels op het lagere, tot aan de dakgrens. De terrassen bieden prachtig uitzicht over de stad. Het dak is omzoomd door een glazen balustrade, die dient als valbeveiliging en windscherm.

Hoewel het Veemgebouw ook een bestaand gebouw is, vragen de specifieke constructie en de herbestemming hier om ander maatwerk, waardoor ook deze daktuin anders wordt dan de anderen. Het oorspronkelijke pakhuis heeft een sterke kolomstructuur, die als basis dient voor het optoppen van het gebouw met drie appartementlagen. De appartementen worden ontsloten aan een patiotuin, die tevens fungeert als collectieve buitenruimte voor de bewoners.

De bestaande dakvloer wordt ter plaatse van de appartementen verstevigd met een extra balklaag bovenop de bestaande kolommen. De vloer van de appartementen ligt daardoor circa zeventig centimeter hoger dan het oorspronkelijke dakniveau. Het voordeel is dat hierdoor verticale ruimte ontstaat voor de groeiplaats van beplanting, maar het nadeel is dat de vloer van de patio niet versterkt is. De maximale belasting is slechts 500kg/m2! Net als op het Mathildeplein moet de zware beplanting daarom exact boven de kolommen gepositioneerd worden. De enige uitzondering is een zone waar een dakopbouw afgetopt is en waar een geheel nieuwe vloer met extra wapening is neergelegd.

In principe zou deze constructie leiden tot een rigide lijn van beplanting, gepositioneerd recht boven de kolommen. Niet echt een aantrekkelijke optie voor de toch al stenige, smalle ruimte van de besloten patiotuin. Juist deze ruimte, die vanwege de toegang tot de woningen grotendeels uit verharding dient te bestaan, is gebaat bij beplanting die het stenige beeld verzacht.

Deze constructieve knelpunten zijn opgelost door het creëren van boomheuvels alsmede door een specifieke boomkeuze. De boomheuvels zijn excentrisch geplaatst ten opzichte van de kolommen en leiden tot een glooiend, haast natuurlijk daklandschap. In tegenstelling tot zichtbare plantbakken, die de kunstmatige inrichting juist benadrukken en de beperkte ruimte teveel versnipperen, vormen de heuvels een homogeen geheel. Omdat ze bovendien boven het maaiveld uitsteken, ontstaat er extra verticale groeiruimte voor de beplanting.

De hierdoor gecreëerde beschikbare groeiruimte maakt het mogelijk om forse maten bomen met meerdere stammen te planten. Precies wat de patiotuin nodig heeft. De bomen worden vanwege de constructie nog steeds precies boven de kolommen in een rechte lijn geplaatst, maar hun meerstammigheid en de excentrische ligging van de heuvels, suggereert een minder rigide opstelling. De versterkte zone is een welkome uitzondering om nog een extra aantal bomen vrijer in de ruimte te positioneren.

Beplanting: de beeldbepalende sfeermaker

Wat bepaalt de keuze voor een bepaalde soort beplanting en de vorm waarin deze aangeplant wordt? Voorop staat natuurlijk het gewenste beeld en de seizoensbeleving. Bij daktuinen wordt de keuze daarnaast ook sterk beïnvloed door de beperkingen die een daksituatie oplegt, niet alleen in de beginsituatie maar ook in de toekomst (zie ‘Beheer’). In het algemeen kiezen wij in onze ontwerpen voor inheemse en natuurlijke beplanting. Niet alleen past deze beplanting binnen het ecosysteem van Nederland, het is van nature ook sterk en minder gevoelig voor ziekten. Waar mogelijk kiezen wij ook op daken zo vaak mogelijk voor gebiedseigen soorten, die soms worden aangevuld met exoten.

Voor het Mathildeplein hadden wij een groene stadskamer voor ogen, een eigen wereld binnen de stedelijke hectiek met zijn verkeersgeweld. Aan de beplanting de taak om het strenge grid te verzachten en niet alleen in de lente, maar in alle seizoenen een groene oase te bieden aan de stedelingen.

De beplanting vormt een opvallend kleuraccent. Wintergroene beplanting en seizoensbloeiers zorgen voor een aantrekkelijk beeld in alle seizoenen. Hulsthagen zorgen jaarrond voor een stevige groene basis. De overige bakken bestaan uit bodembedekkers of vaste planten aangevuld met bollen, die elk op een verschillend moment bloeien, zoals de anemonen in de nazomer en de narcissen in het voorjaar. Verspreid over de hoge bakken staan verschillende soorten bomen: sierkersen die explosief bloeien in het vroege voorjaar en rododendrons op stam die volle paarse bloemen geven in mei.

De juiste groeiomstandigheden zijn gecreëerd door de bakken te vullen met veertig centimeter substraat. Het substraat bevat alle benodigde voedingsstoffen voor de bomen en planten. Om het gewicht te beperken is de rest van de bak gevuld met het lichtere Zincolit, dat geen voedingsstoffen bevat, maar wel groeiruimte, lucht en water. De verhouding tussen substraat en Zincolit is dusdanig afgewogen dat er een uitgekiende balans is tussen benodigde voeding, groeiruimte en maximaal toelaatbaar gewicht.

De beplanting krijgt water door een automatische beregeningsinstallatie. Komt het water boven een bepaald peil, dan vindt er een overstort op het gemeenteriool plaats. Zo blijft het beeld van de groene oase zowel in droge als natte perioden in tact.

De openbare groene stadskamer van het Mathildeplein verschilt van het semi-openbare en natuurlijke karakter van de collectieve daktuinen op Gerard en Anton. Het gebruik is anders. Bovendien hebben de tuinen een wezenlijk ander uitgangspunt: het Mathildeplein heeft een permanente status; de daktuinen op Gerard en Anton zijn bestemd voor vijftien jaar. Met name dit laatste punt heeft de doorslag gegeven in de keuze voor de pionierbeplanting  op Gerard en Anton, beplanting die spontaan opkomt op lege en kale plekken en weinig eisen stelt aan de groeiomstandigheden. Het pionierskarakter past bij de tijdelijkheid van de tuinen en zijn natuurlijke uitstraling biedt een mooi tegenwicht aan de stenige, hoogstedelijke woonplek van de gebruikers.

Op Gerard zijn berken in veren geplant, dicht op elkaar, tot wel vijf stuks per vierkante meter zodat ze uitgroeien tot een bos. Deze snelgroeiende soort zorgt voor een sterk opgaand beeld. Het bos is zichtbaar vanaf het maaiveld en biedt op hoogte beschutting en intimiteit. De onderbeplanting bestaat uit varens, kruipbrem, dubbelloof, boskamperfoelie en sterhyacinten, soorten die van nature ook in een bos groeien en hun eigen weg zoeken. Hun bloei en herfstkleuren geven zo lang mogelijk sierwaarde. Geschoren, groenblijvende hulsthagen omzoomen de terrassen. Het niet-begaanbare deel van het dak is ingezaaid met prairiegras. Dit lange, gelige gras is eveneens een pionier.

De beplanting op het dak van Anton refereert niet aan een natuurlijk vegetatietype, maar levert vooral een weelderig beeld. De uitbundig bloeiende beplanting contrasteert met de verder strakke en spierwitte details van de architectuur. Verschillende soorten sierkersen, krentenbomen, kamperfoelie, vlinderstruiken en vaste planten zorgen voor geur, kleur en bloei op verschillende tijden van het jaar. Het dak is niet alleen voor de mens boeiend, maar trekt ook vlinders aan. Buiten de bloeiende tuin ligt een kleurrijk mossedumdak. De tuin is zodanig aangelegd dat er direct na aanplant al een aantrekkelijk beeld ontstaat en ze de komende vijftien jaar zal uitgroeien tot een weelderige oase.

Ondanks dat beide daktuinen grotendeels uit sterke pionierbeplanting  bestaan, is ook hier beregening noodzakelijk. Onderin de centrale plantbak is een drainagemat opgenomen. Deze wordt via een pomp gevuld. Als het waterpeil onder een bepaald niveau zakt, zorgt een detectiesysteem ervoor, dat de pomp automatisch aanslaat. Als het water boven een bepaald niveau uitstijgt, vindt overstort plaats op het lagere dakdeel dat beplant is met prairiegras of mossedum. Op deze manier is in de opgetilde tuin een continue grondwaterspiegel aanwezig.

De mogelijkheden voor beplanting zijn in de patiotuin van het Veemgebouw beperkt. De ruimte is smal en de locaties beperken zich voornamelijk tot de positie van de kolommen en de boomheuvels. Om toch een zo groen mogelijk beeld te realiseren, dat bovendien contrasteert met de stenige ruimte is gekozen voor een tiental forse, meerstammige koelreuteria’s.

De bomen hebben normaal gesproken een dieper grondpakket nodig, dan hier maximaal mogelijk is. Daarom worden deze bomen op de kwekerij reeds voorbereid op de plantshock. Dat gebeurt door de bomen een jaar van te voren uit de grond te steken en in een zogenaamde springring te zetten met beperkte groeiruimte. De boom wordt verwend met voedsel en water waardoor zich hele fijne haarwortels vormen, die in de volle grond aan de uiteinden van de wortels zouden ontstaan. Wanneer de boom geplaatst wordt in de nieuwe situatie, heeft hij een dubbel voordeel: hij heeft een kleine kluit en bovendien de fijne haarwortels van een boom die al langer in de volle grond staat. Door deze ingreep worden de mogelijkheden vergroot om ook grote bomen te planten op plaatsen met beperkte groeiruimte.

De grote bomen geven de courtyard reeds in de beginfase een volwassen sfeer, hun kronkelige stammen een sprookjesachtig beeld. Door de vaasvorm creëren de bomen een natuurlijke, aangename ruimte om onder te zitten. Dankzij het samengestelde blad oogt de kroon licht en transparant. In juni vormen zich grote trossen met gele bloemen. In het najaar  ontstaan geelgroene zaadlampionnen en krijgt het blad een vurige kleur. De patiotuin wordt verder verzacht door ook het maaiveld te vergroenen. De boomheuvels en de voegen van de natuurstenen verharding worden vergroend met grassen of tredplanten. Proefvakken moeten uitwijzen welke soorten het beste bestand zijn tegen zowel zon als schaduw, tegen intensieve betreding en beperkte groeiruimte.

Vooralsnog is in het ontwerp geen beregeningsinstallatie opgenomen. Door het beperkte aantal bomen, het grotere grondpakket en de goede toegankelijkheid lijkt aanvullend handmatig water geven hier de meest voor de hand liggende optie. Bijzonder aan dit dak is de waterbergende functie. Omdat er op het dak nieuwbouw plaatsvindt, mag het regenwater volgens de regels van de gemeente slechts vertraagd worden afgevoerd naar het riool. In de onderste drainagemat wordt daarom vier centimeter water geborgen, dat louter via kleine gaatjes in de dakdoorvoer vertraagd wordt afgevoerd. Indien bij hevige regenval het waterpeil boven deze vier centimeter uitstijgt, stroomt het water via de bovenkant van de dakdoorvoer versneld weg naar het riool. Het dak draagt dus niet alleen bij aan de belevingswaarde van de bewoners, maar helpt bovendien de stad een handje in de waterproblematiek.

Beheer: een groene toekomst in wording

Een goede technische constructie, een juiste beplantingskeuze en een gegarandeerd waterniveau zijn essentieel voor een succesvolle aanleg van groene daken. Maar hoe zorg je dat het gewenste beeld duurzaam in stand blijft? Voor al onze groene daken adviseren wij om een beheerplan op te stellen, dat door de vereniging van eigenaren of de verhuurder wordt opgevolgd. Het beheerplan omvat bijvoorbeeld de kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving van het snoeien of uitdunnen van bomen, het verwijderen van ongewenste opslag op boomwortels, het verwijderen van onkruid, het knippen van hagen, het aanvullen van gaten in onderbeplanting of grassen, het bemesten, het controleren van randdetails en de werking van de hemelwaterafvoer. Specifiek voor daksituaties is dat rekening gehouden moet worden met de afvoermethode van het groenafval. Het materiaal moet dusdanig klein gemaakt worden, dat het via de lift kan worden afgevoerd. Hetzelfde geldt voor het materieel dat moet passen in de aanwezige liften.

De bomen op Gerard, Anton en het Veemgebouw zullen zeker niet zo groot worden als in een natuurlijke situatie. Toch blijft de groei van met name de bomen een onzekere factor. Daarom organiseren wij, aanvullend op het beheerplan, een jaarlijkse schouw met onze opdrachtgever en de bewoners.. Tijdens de schouw wordt kritisch gekeken naar het beeld en het gebruik van de daktuin en wordt waar nodig het beheerplan bijgesteld. Uiteraard wordt in het ontwerp al geanticipeerd op groei en verandering. De beplantingsschema’s van zowel Gerard als Anton zijn bewust niet als rigide patronen ontworpen, zodat de beplanting haar eigen weg kan zoeken zonder dat het beeld verstoord wordt. Voor Gerard zijn de berken zeer dicht op elkaar geplant. Hiermee stimuleren we een opgaande groei. Als het gewenste beeld van een bos bereikt is, kan zonder het bos aan te tasten een aantal berken verwijderd worden en weer een gezond evenwicht ontstaan. 

 

Pionieren met kennis

Ondanks de verschillen tussen de vier groene daken, zijn er ook overeenkomsten. Wil je het niveau van een sedumdak overstijgen en tegelijkertijd de artificiële omstandigheden op het dak zoveel mogelijk camoufleren, dan is vroegtijdig overleg met de constructeur van groot belang. Tegelijkertijd moet duidelijk zijn dat bomen en een grondpakket zwaar zijn, ruimte en geld kosten. Alleen wanneer in een vroeg stadium het ambitieniveau van de daktuin wordt vastgelegd, kan zowel de constructie als de inrichting daarop optimaal worden afgestemd. Daarnaast bestaat de succesformule uit grondige kennis van bomen en planten. Daken vragen om een aangepaste toepassing van bomen en planten, die toch het gewenste groene beeld geven en gedijen in artificiële omstandigheden. Is de daktuin eenmaal klaar en volop in gebruik, dan leiden een beheerplan en een jaarlijkse schouw de daktuin naar een gezonde, groene toekomst.

Als de projecten in Eindhoven één ding duidelijk maken, dan is het dat een daktuin een apart, stedelijk landschapstype is met een eigen combinatie van ondergrond-, water- en klimaateigenschappen. Wanneer we inspelen op de specifieke kenmerken dan krijgt een dak meerwaarde: het draagt bij aan het imago van de plek, het is duurzaam, het verbetert het leefklimaat in de stad, het maakt het gebouw een gewilde woon- of werkplek. Onder die omstandigheden betaald pionieren op het dak zich terug in financiële en economische, culturele en ecologische zin. Bovenal worden de groene daken dan een levendig landschap, ogenschijnlijk op maaiveld maar hoog in de lucht.

We hebben de conclusie samengevat in de hoop dat hij wordt gehandhaafd. Zonder slotsom eindigt de tekst pardoes met “het verwijderen van berken”. Tekstueel en inhoudelijk niet zo’n fraaie oplossing. Bovendien willen wij de praktische inhoud ook graag enigszins overstijgen, door te concluderen dat daktuinen een nieuw stedelijk landschapstype vormen.