INTERVIEW MET BJARNE MASTENBROEK

 

“Een helemaal versteende stad is voor mij een soort horrorscenario. Groen is letterlijk een rustpunt in de stad, een constante. Daarom heb ik wel een bijna obsessieve relatie met bomen. Ze zijn voor mij iets heel belangrijks in het stedelijke leven, ik persoonlijk zal ze nooit kunnen missen, denk ik.”

Bjarne Mastenbroek – SeARCH, Amsterdam

Bjarne Mastenbroek is een van de weinige nederlandse architecten die zo veel en zo vaak mogelijk natuurlijke elementen in hun ontwerpen opnemen. Een bekend voorbeeld ervoor is de theepaviljoen bij de Posbank in de Hoge Veluwe, ontworpen door hem en Dick van Gameren; een glazen volume met een wildgras-dak, ingebed in het heuvelachtige landschap, zichzelf omhoog draaiend tussen de bomen.

Mastenbroek’s ambitie is ook op stedelijke locaties zijn gebouwen een sterke ruimtelijke en natuurlijke kwaliteit te geven, vooral woongebouwen. Hij benadrukt het belang van de balans tussen het gebouwde volume en de groene vrijruimte in de buurt. BiotpeCityJournal heeft met hem over zijn liefde voor de natuur, zijn intenties en frustraties als moderne architect gesproken.


Interview:

BCJ: Bjarne, je bent een natuurliefhebber en je was als kind vaak in de bos onderweg. Nu woon je in de binnenstad van Amsterdam. Hoe ervaar jij persoonlijk stad en natuur en hoe ervaren je kinderen hun omgeving?

BM: Een helemaal versteende stad is voor mij een soort horrorscenario. De eerste twee jaar die ik in Amsterdam woonde was dat in een huis zonder achterzijde – wel aan de gracht, op zich een heerlijke plek, maar wel een keiharde situatie. Het enige hout wat je daar had waren prachtige linden aan de gracht. En dat is volgens mij ook ontzettend belangrijk, omdat groen letterlijk een soort rustpunt in de stad is, een constante. Daarom heb wel een bijna obsessieve relatie met bomen. Ze zijn voor mij iets heel belangrijks in het stedelijke leven. Op het moment dat je dat niet hebt, valt een soort basiskwaliteit weg, waar ik niet mee zou kunnen omgaan, volgens mij.
Het rare is, dat in Nederland de stedenbouw eigenlijk alleen maar dorps is, dus een écht stedelijke omgeving ontbreekt. Een dichte stedenbouw kennen wij niet in Nederland, waardoor groen zich bijna altijd beperkt tot de bomen in de straatprofielen en de beschef van de noodzaak om écht groene ruimten in de stad te maken vaak te laat, te kleinschalig en niet overtuigend wordt genomen. Een stad zonder royale parken is geen prettige stad in het algemeen.

BCJ: In hoeverre hebben wij architecten de mogelijkheid, dit te beïnvloeden? Je zegt zelf, dat ons beroep steeds meer beperkt wordt. Kunnen wij als pure geveldesigner nog aan de conditio humana werken?

BM: Het rendement van groen in de stad is alleen maar overeind te houden op het moment dat je voldoende gebouwde vierkante meters er tegenover kan zetten. Dat is het lastige van bouwen in steden. Maar wat daar heel erg mee in tegenstrijd is, is dat de omwonenden bewoners en het democratische proces van bouwen in steden ervoor zorgt dat de bewoners zelf, zonder dat ze het in de gaten hebben, een groot gevaar vormen voor groen. Omdat ze zeggen: het mag niet te hoog worden. Wat ze niet beseffen, is dat daarmee de druk op de woningen in de breedte alleen maar toeneemt, waardoor het groen in het gedrang komt. Ik snap wel dat mensen geen hoogbouw willen, waarbij ze denken aan losstaande blokken in het groen uit de jaren zestig – een stedenbouwkundige systematiek, die heel slecht bevalt tegenwoordig, die moeilijk te verkopen is en die heel slecht gefunctioneerd heeft. Dus dan maar gesloten bouwblokken, dan maar lager, en daardoor minder ruimte voor groen. En dat is een van de grootste gevaren voor de Nederlandse stad. Want men moet toch hoge dichtheden maken, veel vierkante meters, in het groen, met parkeren – altijd het lastige element erin.
En dat is eigenlijk waar wij in ons plannen altijd heel hard voor vechten: te zorgen dat die verhouding goed is en dat je volwaardig groen direct aan je woonomgeving kan maken.

BCJ: Maar daar ligt ook het probleem: hoe kan je het groen direct relateren aan de mensen? Veel mensen vinden, dat de stad niet voldoend vrijruimte biedt, vooral voor kinderen, en wonen liever in het groen, zelfs als het een Vinex -wijk zal zijn. Veel steden verouderen of raken sociaal uit de balans, omdat juist mensen met een intact gezin en een hoge opleiding de stad verlaten. Hoe kunnen wij deze mensen overtuigen, in de stad te blijven wonen? Wat moeten wij hun bieden?

BM: Het GWL- terrein in Amsterdam is een van de allermooiste wijken die er gemaakt zijn. Het is, met aan de overkant het nieuw gemaakte Westerpark, een kinderrijke omgeving. Ik ken veel families die daar wonen, en ze hebben geen enkele noodzaak om weg te gaan. En als er een noodzaak is, dan die dat er geen vier- of vijf- kamerwoningen zijn gebouwd. De woning aan zich is te klein, maar de woonomgeving niet. De gemiddelde woninggrote van Amsterdam is geloof ik zestig, zeventig vierkante meter, daar ligt de crux: het is gewoon te klein. Maar er zijn genoeg mensen, op het moment dat er in de buurt een park is en ze een goede escape hebben in de vorm van een GWL - terrein, een autoluw gebied, die dat prima vinden.
Een van de meest kinderrijke omgevingen is de westelijke grachtengordel. Als ik daar ’s ochtends om negen uur op de brug sta – je geloofd het niet hoeveel kinderen da langskomen.

BCJ: Maar, dat zijn ook juist weer gesloten bouwblokken…

BM: ...met een heel groot profiel, waardoor elk blok weer een laag op zich is, met hoge dichtheid.

BCJ: Dus de blok is nog steeds een optie? Gezien het GWL- terrein, dat buitenom vrij hoog, binnen vier verdiepingen hoge volumes bevat en eigenlijk een opengebroken blok is…

BM: Ja, het mooie aan dit systeem is, er is niet getornd aan dichtheden die er gemaakt moesten worden, maar het is wel geoptimaliseerd in de vorm waarop het groen en het gebruik van groen georganiseerd is. Dat is het knappe daar. Er zijn privé-tuinen, maar niet allemaal, er zijn goede pleinen er is voldoende openbaar groen erin – er zijn een soort van openbare tuinen – waardoor die ruimte die er is, ook voor kinderen, voldoende is. Dat maakt naar mijn idee zo ’n wijk ontzettend duurzaam en heel erg goed, heel bijzonder.

BCJ: Het lang voorspelde energietekort en de klimaatverandering zijn geen verhaaltjes meer, maar zichtbare feiten. Het is tijd voor een échte koerswisseling in denken en doen – daar zijn wij met elkaar eens. Er moet een verandering ook in de bouwcultuur komen, vergelijkbaar met de moderne beweging in de jaren twintig. Toen was het motto: licht en lucht en een frisse, eerlijke vormentaal. Vandaag zien wij duurzame gebouwen, die grotendeels het gevoel niet aanspreken, maar ook voorbelden van een verbinding van natuur en gebouw, een opkomst van een ‘groene esthetiek’ vooral in Frankrijk – Roche, François, zelfs Nouvel met het Musée des Arts Premiers. Er moet een nieuwe Schoonheid komen, die het hart aanspreekt. Hoe kunnen wij daaraan werken?

BM: Het is duidelijk dat wij aan een vastlopend mechanisme werken. Het gaat vastlopen, dat kan je aan je vingers natellen. Maar het probleem van dit mechanisme is, dat iedereen daarin maar een heel klein schakeltje is. En om het mechanisme, het systeem te veranderen moet je besluiten nemen, die toch altijd weerstand zullen oproepen. Het is bijna onmogelijk…

BCJ: Maar, je bent zelf een voorbeeld voor hoe het wel kan, je hebt gebouwen gemaakt zoals het woningbouwproject aan de Oeverpad in Amsterdam Osdorp, dat met zijn groen ‘collectief - privé’ binnenterrein een gevoel geeft van een binnenstedelijk, gezellig rustpunt…

BM: Ja, en de enige manier is, het gewoon stronteigenwijs te doen – want niemand wil het. En zoiets als ons gebouw zal nu niet meer kunnen. Veel te duur, zeggen ze dan, een beloopbaar groen dek op een parkeergarage. Omdat er een systeem is van bouwproductie en opdrachtgeverschap, wat zich zelf in stand houd. Ze durven niet te bewegen, want als er een iemand zegt, het moet een keer anders, beter, is hij de enige en gaat failliet – want er zijn tien andere, die doen het wel voor de lage prijs. Dus je moet er keiharde regels aan stellen. Je moet zeggen: een huis met een tuin kan je vergeten, dat kan niet. Maar wat je krijgt, is een heel goed appartement met een heel mooi balkon, een goede buitenruimte en goede vervoervoorzieningen in de stad. Want wij gaan niet meer met ze ’n alle in de file staan elke ochtend de stad in en ’s middags de stad uit. Want dat levert zoveel mobiliteit op met zoveel energieverbruik, dat gaan wij niet meer doen. Je lichaam van 100 kilo elke dag verplaatsen in een auto van 2000 kilo is gewoon te duur. En daar moet je harde maatregelen nemen. De democratie zegt, als je een huis met een tuintje wilt, gaar maar naar Purmerend, iedereen zwermt uit. Maar je moet dat niet toestaan.

BCJ: Maar moet je dan niet eerst laten zien hoe het ook binnen de stad kan, op een manier als de mensen dat willen…

BM: Levensgevaarlijk, want dat willen de ontwikkelaars niet, dat is te ingewikkeld en te duur. 5.70m, het liefst een kapje, voortuin, achtertuin, berging en een parkeerplaats ervoor, en verder niet zeiken.

BCJ: Er is ook steeds meer de vraag, om in de stad meer grondgebonden woningen te maken –

BM: Daar ben ik dus niet mee eens. De grond onder een grondgebonden woning is veel te goedkoop in dit land, en de grond onder een appartement veel te duur. Dat moet een reële weerspiegeling zijn van wat het kost. Grond onder appartementen moet veel goedkoper gemaakt worden, want die wordt efficiënter gebruikt en takt aan op bestaande netwerken, een de grond onder een eengezinswoning in de polder waarvoor alle voorzieningen een infrastructuur aangelegd moeten worden en een stuk land opgeofferd moet worden, die moet veel duurder.
Londen bijvoorbeeld is deels een nachtmerrie: als je vrienden binnen de stad wilt opzoeken, zit je uren in de underground, van wegen al die grondgebonden huisjes, omdat het zo verspreid is. In Parijs aan de andere kant is het bijvoorbeeld helemaal niet onchique, om in een appartement te wonen. En het probleem is: steden worden steeds belangrijker, ondanks alle digitale aansluitingen. Economische concentratie zit ook in de toekomst rond de grote steden: de druk op de randstad woord steeds groter, en Friesland loopt leeg. Dus de dichtheid van de steden moet hoger.

BCJ: En hoe voorkom je het effect van het leeglopen van steden onder de 200.000 inwoners, vooral van de centra, waar vaak alleen maar nog allochtonen en bejaarden wonen?

BM: Mexico City is een goed voorbeeld van de ‘donut – effect’ . Nadat het centrum bijna een no-go area was, heeft het bestuur gezegd: buitenom mag niks meer gebouwd worden, alleen maar middenin – een keiharde maatregel. En nu functioneert het centrum weer, sommige stadsdelen zijn weer erg mooi geworden. […]Laat de stad dan écht dicht zijn.

BCJ: Jij hebt projecten als de Posbank- paviljoen in de Hoge Veluwe gebouwd en bent net bezig met een uitzichttoren in de bos. Behalve het bovengenoemde Oeverpad – project zijn andere projecten van Search harder, klassieker. Kan je niet een Posbank - Paviljoen midden in de stad bouwen? Neem de hoge dichtheid in de stad en het fameuze dubbele grondgebruik, dan door middel van een groendak? Een groendak is over 30 jaar goedkoper dan een gewoon dak…

BM: Er zijn duizend mogelijkheden. Maar, forget it, dat zal in deze laatkapitalistische maatschappij niet meer gebeuren. Er is geen commercieel bedrijf in rendement over 30 jaar. Niemand is daarin geïnteresseerd. Daarvoor zijn harde maatregelen nodig, die voor sommige bedrijfstakken heel moeilijk zijn.

BCJ: Wij architecten kunnen niet direct aan de regelgeving werken. Wat is onze rol?

BM: De Vinex – wijken zijn niet verzonnen door een architect, ze zijn het product van wat de gemiddelde Nederlander wil. […] Ook komen straks weilandwinkel, blikdozen op het veld: de levende economische vooruitgang. En wij gaan dit toestaan. En dan kan je vervolgens door een architect nog een blauwe of geel of blobachtige weilandwinkel maken, maar dat doet er natuurlijk niks aan toe. Het enige wat wij kunnen doen is de huidige economische vooruitgang nog een beetje vorm geven.

BCJ: De conclusie is dus, dat wij als architecten geen directe invloed hebben. Wat is de tool, waarvan je zegt: geef mij dat en dan kan ik écht iets doen? Wat missen wij?

BM: Een heel heldere visie, die los staat van financies. Eerst visie, dan financies. En de visie moet zijn: dichtere stad, hoogwaardige ruimtes.
En zorg dan voor mooie overgangen van stad naar land, zonder de ellende van troep en infrastructuur. Alles wat vanuit de stad naar de achterkant is geschoven, is vanuit het land plotseling de voorkant. In een klein land als Nederland moet je de dingen gewoon heel goed ordenen. Maar dat moet van het rijk komen. En nu concurreren de kleinen gemeenten met elkaar en mogen dat zelf bepalen, en missen ze een McDonalds, dan missen ze arbeidsplaatsen, dus dan komt die toch maar.

BCJ: Misschien moeten wij dan op kleinere schaal voorstellen maken, en op kleine schaal met afspraken en maatregelen beginnen?

BM: In de stad vinden ontwikkelaars het allemaal te ingewikkeld, te klein, te complex en te duur om te investeren. Er zit te veel risico en tijdverlies in. Maar buiten op het land is het makkelijk.
4000 boerderijen stoppen per jaar in Nederland. Daar kan je met gemak zes woningen in brengen, maar dat mag niet, er mag maar een woning – maar die is dan veel te duur, dat doet niemand. Maar je zult er met de eis, er omheen verder niet te bouwen, 24.000 woningen per jaar kunnen maken, daar, waar infrastructuur al is. En er zullen heel veel mensen zin, die daar heel graag willen wonen.

BCJ: Je klaagt heel veel. What keeps you going?

BM: Wij doen heel vaak voorstellen, waar wij heel hard voor moeten vechten, omdat ze weerstand oproepen, maar veel lukt ook wel en wordt uiteindelijk wel goed en dat zien de mensen dan ook.
Maar wat mij tegen staat, en daarom zeg ik dat zo vaak: als wij met deze snelheid onze steden verder uitbreiden, dan zal je het niet willen weten, hoe het hier binnen 20 jaren eruitziet. Wij moeten langzamer bouwen en veel beter bouwen.
En dit bureau is toch een voorbeeld, hoe het midden in de stad kan, vijf minuten van het centraal station. En voor mij kan dat dan ook nog acht verdiepingen hoog, een goed mengsel van kantoren en wonen. En wij gaan daarvoor strijden, dat doen wij nog steeds. Ja, ik klaag, en dat is omdat ik ontzettend boos ben over dat wij Nederland zo zitten verkloten. Maar deze boosheid is wel een heel positieve drive om de dingen goed te maken.

BCJ: Bedankt voor dit interview.