HOMO URBANUS - de mens van onze verstedelijkte toekomst

Available translations: 

 

‘De omgeving selecteert’ is een bekend darwinistisch paradigma. Dat gegeven blijft ook van kracht wanneer de omgeving verandert - in dat geval selecteert namelijk de veranderde omgeving. Ook een omgeving zonder roofdieren, met ziektekiemen die dankzij antibiotica en andere pillen zijn onderdrukt en met een gereduceerde kans op natuurlijke embryoselectie, ook die omgeving selecteert. Maar: een andere omgeving zorgt voor andere uitkomsten. We leven niet meer op de Oost-Afrikaanse savanne of de Russische toendra. De slomen, de lammen en de blinden onder ons worden niet meer door een sabeltandtijger tot avondmaal gereduceerd, en dat is zeker een vooruitgang.

De roofdieren zijn uit ons dagelijks leven verdwenen, de stad met al zijn voorzieningen, van kindercrèche tot Alzheimerkliniek, is er voor in de plaats gekomen. Dit betekent dat de stad, de urbane leefomgeving, in feite de natuurlijke habitat van Homo sapiens is geworden. Van een paleolithische bladerhut in het huidige Tanzania naar een centraal verwarmd betonnen appartement op de twaalfde verdieping van een torenflat in wijk X van de stad Y, en dat alles zonder traplopen bereikbaar: de mensheid is erop vooruit gegaan! De Amerikaanse historicus John R. McNeill ziet in die ontwikkeling elementen van evolutie terug. De mens is zich meer en meer aan het aanpassen en McNeill observeert een hogere overlevingskans in steden dan daarbuiten, onder meer als gevolg van betere toegang tot gezondheidszorg en sinds de negentiende eeuw een gemiddeld betere hygiëne. Dat vertaalt zich op termijn in een beter aan steden aangepaste mensen‘soort’. Hoewel we in principe de omgeving volledig naar onze hand zetten, oefent die - nu urbane - omgeving dus nog altijd een zekere selectiedruk uit.

Alle (álle!) soorten planten en dieren zijn ontstaan in permanente wisselwerking met de omgeving waarin ze gedijen. In principe is elke soort daardoor zo goed mogelijk aangepast aan zijn omgeving. De regenworm aan het al etend graven van gangetjes in de aarde, de huisstofmijt aan het leven in dassenburchten en konijnenholen (oorspronkelijk) en mensenbedden (afgeleid), de rotsduif aan het broeden op rotswanden en kustkliffen (oorspronkelijk) en neoclassicistische stationsgebouwen en postkantoren (afgeleid) en de mens aan de savanne (oospronkelijk) en de moderne stad (afgeleid). De hierna te beschrijven Londense metromuggen hebben zich intussen geëvolueerd tot een soort die helemaal optimaal is aangepast aan de stedelijke omgeving, omdat dat zijn énige leefmilieu is. Ik voorspel u: dat gaat ook met de mens gebeuren. Het kan duizend jaar duren of tienduizend of wellicht een miljoen, maar op termijn ontstaat er een mensensoort die optimaal is aangepast aan de stad, omdat dat zijn enige leefomgeving is. Homo urbanus dus. Als je dan één zo’n urbaan mensenexemplaar zou overbrengen naar de oorsprongshabitat van zijn vooroudersoort (de savanne met leeuwen en hyena’s) zou hij binnen 24 uur het loodje leggen. Hij wordt opgegeten door een leeuw, vergiftigd door een slang of doodgeprikt door een schorpioen, en als hem al die ellende wordt bespaard weet hij niet hoe hij aan eten moet komen en gaat hij vanzelf evengoed een keer dood. Hij kan er geen 112 of anwb-wegenwacht bellen, geen creditcard trekken, geen defibrillatorautomaat van een haak aan een baobab plukken en niet snel in een taxi springen om zich uit de voeten te maken. De savanne en de stad, het zijn twee volstrekt verschillende habitats, net zo van elkaar verschillend als de woestijn en de toendra. Een soort die in de ene habitat leeft kan niet in de andere aarden. Dat gaat geheid fout. En dan is de darwiniaanse keuze simpel: aanpassen of uitsterven.

Zo blijven we dus een gewone, evoluerende diersoort. De centrale paradigma’s van de natuurlijke selectie en de overleving van de uiteindelijk meest geschikte exemplaren kunnen niet achteloos terzijde worden geschoven, omdat het net zulke sterke natuurwetten zijn als die van de zwaartekracht en de door Pythagoras vastgestelde verhoudingen van een driehoek. Dat is soms lastig accepteren in een tijdsgewricht waarin alles maakbaar lijkt en het aims (het Alles Is Maakbaar Syndroom) als een pandemie om zich heen grijpt. Maar ook de maatschappij is niet volledig maakbaar - getuige de ineenstorting van de twintigste-eeuwse arbeidersheilstaten of het fiasco van de Nederlandse onderwijshervormingen. Toch verandert er veel. Ook de mens zelf is uiteindelijk niet maakbaar, maar evengoed blijken we in staat om ons verregaand aan de wetten van de savanne te ontworstelen door middel, bijvoorbeeld, van de neonatologie, de gerontologie en de fabricage van Tamiflu.

Waar deze evolutie eindigt is onbekend (zoals evolutie eigenlijk altijd onvoorspelbaar is). Ondanks een enorme en onstuitbare verstedelijking blijft onze voorkeurshabitat een groene kleur houden. Mensen willen het liefst in een groene omgeving wonen, met parken en laanbomen in het uitzicht, met een tuin voor en achter, met planten en boompjes in kuipen op het balkon, desnoods met een rijtje kamerplanten in de vensterbank en een bos chrysanten in een vaas op tafel. Er is aangetoond dat patiënten in een ziekenhuis sneller genezen wanneer zij uitzicht hebben op een park of een tuin, dan op een halfdonkere binnenplaats met vuilniscontainers. Bedrijven vestigen zich liever in een fraai aangelegde bedrijvencampus met bomen en vijverpartijen, dan zomaar tussen asfalt en beton. Ergens moet dus toch een affiniteit met groen in onze genen zitten – of misschien moet ik zeggen: nóg in onze genen zitten. Het verlangen naar groen zijn we dus (nog?) niet kwijt, maar dat groen moet liefst wel beheersbaar en beheerd zijn, netjes in perk en pot geordend en zodanig vormgegeven dat zich er geen griezelige verrassingen in kunnen verstoppen. Voorspelbaar dus, zonder sabeltandtijgers en pedofielen, een getemde savanne.

Jelle Reumers is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. 2011 heeft hij bij de Historische Uitgeverij het boek 'De mierenmens - een evolutieparadox' gepubliceerd, waaraan bovenstaande tekst grotendeels is ontleend.